De ene duurzaamheid is de andere niet

Er zit veel meer in het begrip ‘duurzaam omgaan met onze aarde’, dan op het eerste gezicht lijkt. Om dat duidelijk te maken, wil ik het ruimtelijke element scheiden van het tijdselement. We leven per slot van rekening in twee milieus, zoals Eugen Rosenstock-Huessy in bijna al zijn werken heeft aangegeven, dat van de ruimte en dat van de tijd. Dus zullen we ook op minstens twee manieren duurzaam moeten zijn. Misschien wel vier, als we rekening houden met de elkaar kruisende assen van ruimte en tijd.

Om te beginnen ga ik hieronder in op het huidige bewustzijn van duurzaamheid in het bedrijfsleven. Niet omdat we daar zo tevreden over kunnen zijn, maar omdat het mogelijk zal blijken om het groeien van het milieubewustzijn zichtbaar te maken aan de hand van verschillende fases. We hebben een bewustzijnscyclus bijna afgerond, maar daarmee zijn we er nog niet. In ruimtelijk opzicht is er al aardig wat gelukt, maar in de tijd gezien ligt het hele terrein van de duurzaamheid nog volledig braak.

Er zal durf voor nodig zijn om dat te ontginnen en vandaar ook dat de Vereniging Respondeo samen met de Woodbrookers op 21 en 22 april 2011 in Barchem een weekeinde organiseerde rondom het thema ‘Durf en duurzaamheid’.

Het lijkt wel of tegenwoordig iedereen bezig is met duurzaamheid. We doen thuis aan afvalscheiding en draaien misschien wel eens een printje minder uit om papier te sparen. In de politiek is duurzaamheid een steeds terugkerend thema. Geen politicus die geen zachtgroen, duurzaam sausje over zijn woorden giet. En zelfs onze hedendaagse ondernemers, slaan dagelijks groen uit.

Interessant is dat Rosenstock de huidige duurzaamheidshype al enigszins voorzag. Ik zal dat verderop nog aan de hand van een citaat laten zien. Van een hype mogen we intussen wel spreken. Niemand durft nog neer te kijken op de zorg voor het milieu en al twijfelen sommigen of de klimaatopwarming echt wel het gevolg is van broeikasgassen, we zijn het er in grote lijnen over eens dat we uitstoot van die gassen moeten verminderen.

 

Dat proces van popularisering van duurzaamheid is al jaren geleden op gang gekomen, maar pas sinds een jaar of tien is het ook in het bedrijfsleven bon ton geworden om erover te praten. Neem bijvoorbeeld een enquête dat het adviesbureau CapGemini in 2010 uitvoerde onder managers. Welke onderwerpen staan bij u hoog op de agenda, zo luidde de vraag. Tegemoetkomen aan klantbehoeften, antwoordden de meesten (58 procent). Maar op een eervolle tweede plaats (57 procent) stond het antwoord ‘duurzaamheid’. En wel met stip, want het jaar ervoor vond nog maar een op de drie managers duurzaamheid belangrijk.

Nog een paar voorbeelden van veranderend duurzaamheidsdenken. De afkorting CSR staat voor Corporate Social Responsibility ofwel Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). Daarbij houden managers bij hun beslissingen rekening met de maatschappelijke omgeving van het bedrijf, zoals het milieu, of ze zeggen in ieder geval dat ze dat doen. Wie in 2006 bij de Nederlandse versie van zoekmachine Google zocht op de term CSR kon iets boven de 200.000 treffers komen. In 2012 was dat aantal treffers boven 550.000 gestegen. Dus was er veel meer belangstelling voor CSR. En omdat dit typisch een bedrijfsaangelegenheid is, mag worden aangenomen dat een groot deel van deze belangstelling komt vanuit het bedrijfsleven.

Er is dus aantoonbaar meer belangstelling onder managers, maar is die belangstelling ook oprecht of is het alleen lippendienst aan de goede zaak, misschien omdat de klant het steeds vaker vraagt? Dit is feitelijk een vraag naar de toetsbaarheid van de inspanningen van het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid. Stelt het echt wat voor? Er zijn diverse instanties die zulke toetsen kunnen uitvoeren, TNO bijvoorbeeld. In het kader van duurzaamheid zijn er diverse programma’s waaraan bedrijven kunnen deelnemen en waarbij hun inspanningen na het doorlopen van diverse tests worden beloond met awards en certificaten.

Neem bijvoorbeeld Connekt. Dat is naar eigen zeggen ‘een onafhankelijk netwerk van bedrijven en overheden dat partijen verbindt om te werken aan duurzame verbetering van de mobiliteit in Nederland’. TNO is erbij aangesloten. In april 2012 kregen 35 bedrijven een Lean and Green Award als beloning voor hun inspanning om de uitstoot van CO2 binnen vijf jaar terug te brengen met 20 procent. Daarmee is het milieu nog niet gered, maar het is een meetbare vooruitgang. Grote bedrijven als Heinz en Mars hebben milieudoelstelling opgenomen in hun bedrijfsdoelen en het management wordt daarop afgerekend.

Natuurlijk is veel van al dit moois het resultaat van overheidsdwang en een groeiende wens van klanten om duurzame spullen te consumeren. Maar die erkenning geeft nog geen reden tot cynisme. We zijn in de geschiedenis aanbeland op een nieuw punt, want we kunnen nu objectief vaststellen dat het bedrijfsleven zich de milieuproblematiek aantrekt. Of er een adequaat antwoord komt, is weer een andere vraag. Bijsturing is een mogelijkheid. Organisaties als Natuur en Milieu werken intensief met het bedrijfsleven samen om nieuwe mogelijkheden voor een duurzamere toekomst te ontwikkelen.

Zoals ik al schreef, heeft Rosenstock de huidige hype al voorzien en wel in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen hij sinds een paar jaar in Amerika was. In de Nederlandse vertaling van Out of Revolution (De grote revoluties, p. 99) lezen we een ‘voorspelling’ van de huidige populariteit van duurzaamheid onder managers in het bedrijfsleven:

Stel dat alle grondstoffen die we in ons bedrijf gebruiken schaars worden: rubber, houtpulp, kinderen, dichters. Bosbranden beginnen ons hout te vernietigen en droogte onze velden. Op dat moment krijgt de werkgever ineens heel veel belangstelling voor het proces van de ‘reproductie’. Een nieuwe wereld opent zich voor zijn ogen, een wereld van verandering.

De kringloop van rubberteelt, herbebossing, scholing van boswachters en herbevolking van het land opent zich voor de ogen van de zakenmensen, die tot op dat moment aan niets anders hadden gedacht dan aan de boomstammen die ze kochten van de boer die geld nodig had.

Als de manager het moeilijk krijgt, wordt hij ineens wakker. Dat geloven we graag, maar geldt dat niet voor alle mensen? En op welk punt zijn we dan aanbeland, nu de milieuzorg zozeer gemeengoed is geworden? Is er een traject te schetsen van het bewustzijn van milieuproblemen? Een soort schema dat laat zien hoe bepaalde nieuwe ideeën opkomen en dan geleidelijk aan zich verspreiden tot iedereen ze aanhangt. En uiteindelijk een soort revolutie veroorzaken, want laten we eerlijk zijn, als zelfs oliemaatschappijen écht naar duurzaamheid zouden gaan streven (we wachten dat nog even af), dan is er ook echt een grote ommekeer.

Om dat proces te schetsen kunnen we een model gebruiken dat ontwikkeld is door Otto Kroesen van de TU Delft, die diverse boeken over Rosenstock op zijn naam heeft staan. Het heet Leven in organisaties, ethiek, communicatie en inspiratie (uit. Skandalon, Vught, 2008) en bouwt voort op het werk van Rosenstock. Kroesen onderscheidt vier soorten verantwoordelijkheid, die met elkaar laten zien hoe mensen omgaan met problemen:
•    Vacante verantwoordelijkheid – het probleem wordt nog niet onderkend, vrijwel niemand voelt zich echt verantwoordelijk, soms zijn er klokkenluiders of actiegroepen.
•    Professionele verantwoordelijkheid – deskundigen snappen dat er een probleem is, maar ze kunnen het nog niet duidelijk maken aan de rest van de bevolking. Maar vanuit hun deskundigheid zoeken ze wel naar oplossingen.
•    Functionele verantwoordelijkheid – de ernst van het probleem wordt breed onderkend, maar de aanpak ervan wordt overgelaten aan politici en functionarissen.
•    Collectieve verantwoordelijkheid – iedereen voelt dat er een probleem is dat door de gehele samenleving moet worden opgepakt en opgelost, het gaat in gradaties maar het besef is gemeenschappelijk.

Kijkend naar de milieuproblematiek, lijkt er een zekere wetmatigheid te schuilen in deze vier verantwoordelijkheden, alsof ze elkaar kunnen opvolgen. Hieronder hetzelfde rijtje nog eens, maar nu toegepast op de vraag in hoeverre de verantwoordelijkheid voor milieuproblemen in de samenleving wordt gevoeld:
•    Vacante verantwoordelijkheid –  Rond 1968 was de zorg om het milieu nog voorbehouden aan activisten in actiegroepen bijvoorbeeld De Kleine Aarde, vaak het onderwerp van spot en vermaak.
•    Professionele verantwoordelijkheid –  In de jaren zeventig en tachtig kwamen er waarschuwingen van politieke en professionele zijde, zoals de Club van Rome. Milieurampen als Seveso in 1976 werden als incidenten gezien, maar de milieuverontreiniging in de Rijnmond en rond Schiphol werd ernstig genomen.
•    Functionele verantwoordelijkheid –  Ernstige milieuverontreiniging zoals in Lekkerkerk en de Volgermeerpolder en rampen als de ontploffing van de kerncentrale bij Tsjernobyl zorgden ervoor dat het milieu definitief op de politieke agenda kwam en dat in de jaren negentig milieupartijen voldoende stemmen kregen om ruime vertegenwoordiging te krijgen in nationale parlementen.
•    Collectieve verantwoordelijkheid – De merkbare klimaatopwarming die wordt toegeschreven aan de door mensen veroorzaakte ophoping van broeikasgassen heeft er mede voor gezorgd dat sinds pakweg 2000 vrijwel iedereen het milieuprobleem erkent.

Zo blijkt het model van Kroesen goed bruikbaar om te laten zien hoe de zorg voor het milieu langzaam maar zeker gemeengoed werd. Tegenwoordig zien we hoe mensen op tal van manieren kunnen omgaan met die zorg. Sommigen hangen bijvoorbeeld een natuurfilosofie aan rondom ‘Moeder Aarde’. Zij zorgt voor ons en wij moeten voor haar zorgen. Dit ligt nogal op het gevoelsmatige vlak. In termen van het kruis der werkelijkheid van Rosenstock zouden we hier kunnen spreken van de binnenwereld.

De andere drie assen van dat kruis, dat de schetst op welke vier manieren mensen hun bestaan kunnen ervaren, zijn de buitenwereld, het verleden en de toekomst. Zo zien we ook mensen gewapend met cijfers en statistiek, half of helemaal wetenschappelijk de uiterlijke objectieve feiten aandragen. Voor wat het verleden betreft, komen we met name in en rondom de kerken regelmatig het begrip ‘rentmeesterschap’ tegen. We hebben de aarde in beheer gekregen, geërfd zouden we kunnen zeggen, en het is onze taak er goed voor te zorgen. En meer met het oog op de toekomst is er de zorg voor toekomstige generaties. We hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat onze kinderen een schone wereld erven en geen vervuilde, waarop het gevaarlijk is om te leven.

We weten nu hoe het milieubewustzijn in de samenleving is gegroeid en welke vier vormen het kan aannemen. Natuurlijk ook vaak mengvormen, want het kruis der werkelijkheid is geen statisch model, maar een levendig geheel van menselijke spanningsvelden. Alleen hebben we het tijdsaspect van duurzaamheid daarmee nog steeds niet helemaal doorgrond. Daarom nog even terug naar Rosenstock. Twee citaten uit De grote revoluties over het besef van duurzaamheid in de Duitse geschiedenis. Dit alles is natuurlijk geschreven voor de Tweede Wereldoorlog.

Na duizend jaar hakken en zagen is nog steeds 27 procent van het Duitse grondgebied bedekt met wouden. Zelfs nu nog is meer dan een kwart van dit land, waar elke vierkante centimeter is ‘gecultiveerd’, doorploegd en omgespit, bedekt met bomen.

Als een Duitser het woord Kultur hoort, denkt hij het eerst aan het planten van bomen. Bomen doen er lang over om op te groeien. Deze langdurige periode van cultivatie heeft in de economische politiek van de regering op een markante manier voorrang boven die van het individu.

Tegenwoordig is zelfs 29 procent van het Duitse grondgebied bedekt met bos, maar dat terzijde. Rosenstock wijst er hier op, dat duurzaamheid niet alleen betekent dat je iets niet vervuilt of de bodem uitput, maar bovendien dat je zorgt voor toekomstige generaties. Met name van dat laatste waren de Duitsers vroeger blijkbaar doordrongen. Het is het element van de tijd dat in de tegenwoordige discussie over duurzaamheid vaak ontbreekt. Neem bijvoorbeeld het hiernavolgende citaat waarin een definitie wordt gegeven van duurzaam ondernemen, ontleend aan de website van een raadgevend bureau op dit gebied:

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) of duurzaam ondernemen is gericht op economische prestaties met respect voor de sociale kant binnen de ecologische randvoorwaarden.
De triple-P benadering: Bij Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen gaat het om het vinden van een balans tussen people, planet en profit.

Deze MVO-benadering hoeft niet verkeerd te zijn, maar het is in ieder geval te weinig. Net zo goed als windmolens, zonnecellen of afvalscheiding op zich prima zijn, maar op zichzelf staand is het niet genoeg. Het is techniek, mooie techniek, maar ook niet meer dan dat. Net als met de Moeder Aarde-mystiek of de leer van het rentmeesterschap komen we er niet, wanneer het milieubesef alleen daaraan wordt ontleend. De toekomst moet erbij, precies zoals Rosenstock beschreef over de Duitsers.

En dan niet alleen als lippendienst aan de goede zaak. De zorg voor onze kinderen, het expliciete besef dat er hier op aarde mensen zullen leven wanneer wij er allang niet meer zijn, dat zal de grondslag moeten zijn van ons milieubesef. Dat is het milieu van de tijd. Het is ook de zogeheten menselijke reproductie waarover Rosenstock het vaak heeft, namelijk de zorg dat er straks mensen leven die zich net als wij verantwoordelijk voelen voor de wereld om hen heen en die na hen zal komen.

Het mooie aan het werk van Rosenstock is, dat hij tal van historische voorbeelden laat zien aan de hand waarvan we het vertrouwen kunnen krijgen dat de mensheid in staat zal zijn om een crisis zoals we die nu meemaken rondom ons milieu met succes te beheersen. Denk bijvoorbeeld aan de Godsvrede die rond het begin van het tweede millennium een eerste stap was op weg naar het beheersen van het tomeloze geweld dat de bewoners van het Europese continent teisterde. Of de vorming van de Europese steden in de middeleeuwen die ertoe bijdroeg dat mensen zich vrij konden maken van lijfeigenschap en horigheid.

Het duurzaamheidsprobleem in de zin van de tijd, dus de vraag naar de reproductie van de mens en de zorg voor zijn en haar toekomstige leefwereld, is het grote vraagstuk van vandaag. We zullen onder ogen moeten zien dat het milieuprobleem niet alleen een ruimtelijke kwestie is, maar ook een tijdsprobleem. En dat ook ondernemingen dat expliciet zullen moeten doen als ze hun maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus nemen. Het heeft grote consequenties voor het bedrijfsbeleid als een onderneming zich meer niet alleen op de winst zou richten.

De oplossing ligt daarom niet bij milieutechnieken alleen, maar ook bij een betere en meer verantwoordelijke manier van omgaan met onze eigen toekomst en die van de generaties na ons. Dat vraagt de durf om de technische benadering zo af en toe even los te laten en te kijken naar onszelf en de mensen om ons heen. En naar wat de geschiedenis ons leert.

Dat vraagt zeker durf, want daarmee stel je je maar al te gemakkelijk buiten de gebruikelijke discussie en lijk je al snel een moralistische luchtfietser. Tja, wollig taalgebruik is er inderdaad al genoeg. We zullen het zakelijk moeten houden en het is prettig om te weten dat Rosenstock daarbij veel inzichten en bruikbare terminologie kan bieden.

 

Gepubliceerd in Nieuwsbrief 1/2012 van de Vereniging Respondeo