Wat hebben de letteren nog te betekenen?

Waarom zou iemand letteren gaan studeren? Wat drijft mensen die letteren onderwijzen en daar onderzoek in doen? Hoe denken de alfawetenschappers over hun vak en wat vinden anderen daarvan?

Over die vragen gaat deze bundel. Maar eerst moet de vraag beantwoord worden waarover we het nu eigenlijk hebben. Letterenstudies, alfawetenschappen, geesteswetenschappen, humaniora – ze vormen een niet altijd even duidelijk gedefinieerd terrein. We zullen proberen aan te duiden wat er bedoeld wordt met deze termen, waarin deze studies zich onderscheiden van de maatschappijstudies en de natuur- en gezondheidswetenschappen en hoe er tegen de letteren aangekeken wordt, zowel door de beoefenaars zelf als door niet-alfa’s.

A. Letterenstudies ‘op zich’

Voordat er een antwoord kan worden gegeven op de vraag naar de beleving van het belang van de letterenstudies door de betrokkenen binnen dit wetenschappelijke veld zelf, is een afbakening nodig van het terrein en een selectie van de termen waarmee dat terrein wordt benoemd. Er bestaat namelijk veel onduidelijkheid over het begrip ‘letteren’. Wordt daarmee alleen de literatuurstudie bedoeld of ook de taalkunde? En wat betekenen de termen ‘geesteswetenschappen’, ‘alfawetenschappen’ en dergelijke?

 De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) hanteert de term ‘geesteswetenschappen’ en verstaat daaronder: geschiedenis, kunstgeschiedenis, archeologie, taalwetenschap, literatuurwetenschap, theologie, filosofie, film-, muziek- en theaterwetenschap. Onder taal- en literatuurwetenschappen wordt daarbij niet alleen de algemene richting beschouwd, maar ook de studie van de afzonderlijke talen.

            Naast de NWO-indeling is er het in Nederland tegenwoordig nogal in zwang zijnde onderscheid tussen vier wetenschappelijke richtingen: alfa (letteren), bèta (wis- en natuurkunde, technische studies), gamma (sociale wetenschappen) en de geneeskunde. De historicus prof. Blockmans gebruikte deze term in zijn in deze bundel opgenomen lezing De ondragelijke lichtheid der alfa’s en bekritiseerde daarbij de NWO-indeling:

Ik wil erop wijzen dat de identiteit van wat ik tot nu toe alfa’s heb genoemd in Nederland nogal verschilt. Bij grote onderzoeksorganisaties heten ze geesteswetenschappen. Dat is een benaming die teruggaat op de negentiende eeuw. Denk aan Von Humboldt, de tegenstelling geest-materie, een zeer traditionele opvatting en benaming. Want waartegenover staan dan die geesteswetenschappen en wat is dan die geest? Ze staan tegenover de maatschappij- en gedragswetenschappen, om de indeling van het NWO te handhaven, alsof historici zich niet met de samenleving zouden bezighouden. Alsof letterkundigen met hun gebruik van literaire teksten dat niet zouden doen. Of kunsthistorici die de plaats van beeldinformatie en symbolische communicatie bestuderen.

            In landen als Frankrijk en Engeland zal men het volgens Blockmans niet zo snel over Geisteswissenschaften hebben en in Duitsland is er een tendens die pleit voor het gebruik van de term Kulturwissenschaften, cultuurwetenschappen. Maar juist die term zou in het Engelse en Amerikaanse milieu staan voor een gebrek aan kwaliteit. In het Engels of Amerikaans heeft men het eerder over de humanities of over the arts.

            Blockmans spreekt daarom van een kunstmatige en zeer willekeurige indeling. Erger nog wordt het zijns inziens als de alfa’s worden afgezet tegen de bèta’s:

Om nog één plaatsbepaling aan te geven, ik wil mij zeer zeker afzetten tegen de tegenstelling tussen de bèta-wetenschappen als exacte wetenschappen tegenover de alfa’s. Alsof wij niet exact zouden zijn. Wie durft te beweren dat taalwetenschappen of geschiedenis geen exacte wetenschappen zijn?

            De socioloog prof. Zijderveld sprak in zijn lezing, waarin hij het had over de samenhang van kunsten en wetenschappen, van cultuurwetenschappen en vatte, in goed Rotterdamse traditie, daarbij alfa- en gammarichtingen samen:

Als we cultuurwetenschap omschrijven als een methode die het menselijke doen en laten, voelen, denken en spreken onderzoekt, analyseert en interpreteert in de historische context van waarden, normen en betekenissen, dan is het zinvol te spreken van cultuursociologie, cultuurpsychologie, cultuurgeschiedenis en culturele (institutionele) economie.

            In zijn bijdrage aan de discussie na de lezing van prof. Zijderveld ging de Rotterdamse socioloog prof. Bevers in op het ontstaan van de gammawetenschappen en de verhouding tussen dat vakgebied en de alfa- en bètawetenschappen. Hij lokaliseerde daarbij het ontstaan van de sociologie als wetenschap in Parijs, waar de vroege sociologen hun positie moesten veroveren op twee fronten, namelijk ‘de literatoren, les philosophes, van de tweede helft achttiende eeuw, die meenden het woord te moeten voeren over de samenleving op een literaire manier. En aan de andere kant met de natuurwetenschappers die sinds de Verlichting steeds meer terrein hadden gewonnen, ook op het gebied van het verklaren van maatschappelijke verschijnselen’.

            Om als wetenschap voor vol te worden aangezien, heeft de sociologie volgens Bevers voor de kwantitatief ingestelde natuurwetenschappen gekozen en heeft zij geprobeerd als wetenschap haar positie en status te verwerven door zich af te zetten tegen de letteren en tegen de literatuur. Opvallend daarbij is volgens Bevers dat juist de natuurwetenschappen zich aanvankelijk helemaal niet uitten in de huidige, bekende standaardtaal van kwantitatieve symbolen en formules, maar op literaire wijze.

            De historicus prof. Von Friedeburg, die deelnam aan de discussie na de lezing van prof. Blockmans, ging in op deze narratieve methodiek van de wetenschap en van de letteren in het bijzonder:

De geschiedenis der letteren is altijd een verhaal en de vraag is welk verhaal. Ik denk dat we in gedachten moeten houden dat alle verhalen in de geschiedenis en de literatuur altijd ergens over gaan. (...) Vermoedelijk zullen de geesteswetenschappen altijd een verhaal te vertellen hebben over de identiteit en de veranderingen van de mensheid op de lange termijn.

De wetenschappen van de talen en de geschiedenis werden volgens Von Friedeburg altijd gedragen door structurele basisideeën met een zeer hoog abstractieniveau. Maar vooral als gevolg van het streven naar objectiviteit naar het voorbeeld van de natuurwetenschappen, zijn de alfa’s dat ‘verhaal’ dat hun wetenschappelijke identiteit bepaalde, kwijtgeraakt. Dat gebeurde in de voorlaatste eeuw:

Nu is deze crisis van de geesteswetenschappen meer dan 120 jaar oud. Ze begon omstreeks de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw, toen het woord geesteswetenschappen, Geisteswissenschaften, feitelijk werd uitgevonden omdat in die jaren de werking van de natuurwetenschappen, zoals medicijnen, in hun vermogen om substantiële invloed uit te oefenen op de mensheid, zichtbaar werd.

Geleidelijk aan werd tijdens de collegereeks van de Noodfaculteit een aantal parameters zichtbaar waaraan de alfawetenschappen kunnen worden herkend, namelijk narrativiteit, een kwalitatieve instelling, gerichtheid op de menselijke geest als tegenovergesteld aan respectievelijk cijferwerk, kwantitatieve instelling en gerichtheid op de materie.

            Er is blijkbaar veel onenigheid binnen de alfawetenschappen over de begrenzingen van de eigen disciplines en de bruikbaarheid van de namen ervan. Dat vaststellende, zullen de betreffende termen in deze bundel min of meer naar believen door elkaar worden gebruikt, zonder dat daar specifieke verschillen mee worden aangeduid, met uitzondering van de term ‘exacte wetenschappen’, die ons inziens niet bruikbaar is.

            Ook zal de nadruk liggen op de literatuurwetenschappen, omdat de discussies over de letteren in Rotterdam meestal daarover gaan. Dat wil niet zeggen dat de taalkunde geen aandacht verdient, zeker wanneer wordt gedacht aan het sterk gestegen aandeel van andere talen in Rotterdam en de bijzondere positie die het Nederlands daardoor als lingua franca heeft gekregen. Maar dit aspect is in de lezingen en de discussies minder naar voren gekomen dan de literaire aspecten.

B. Alfawetenschappers over hun ‘eigenwaarde’

Enige zelfreflectie is de beoefenaren van de alfawetenschappen niet vreemd. In de discussie na het college van Arjo Klamer verwees prof. Casper de Vries, hoogleraar bij Accounting & Finance, naar een Huizingalezing die in 1978 werd uitgesproken door prof. dr. Karel van het Reve, hoogleraar slavistiek aan de Rijksuniversiteit Leiden, luidde: Het raadsel der onleesbaarheid. Hierin oefent Van het Reve kritiek op de litteratuurwetenschap van zijn tijd. Een kritische beschouwing vormt ook Grandeur en misère van de literatuurwetenschap, de dissertatie van prof. H.A. Gomperts (1915-1998), hoogleraar literatuurwetenschap aan de Rijksuniversiteit Leiden, gepubliceerd in 1979. Beide teksten liggen echter te ver terug om nog van directe betekenis te kunnen zijn voor de discussie van vandaag.

            Een levendig tijdsbeeld van de literatuurwetenschap in de tweede helft van de twintigste eeuw biedt Literatuurwetenschap in Nederland, een vakgeschiedenis, dat interviews bevat met een aantal van de meest vooraanstaande Nederlandse literatuurwetenschappers. De hiervoor genoemde kritiek wordt in dit boek binnen een historisch kader geplaatst. De discussie richt zich echter sterk op de voors en tegens van de gehanteerde wetenschappelijke methoden en minder op de vraag of de literatuurwetenschap op zich bestaansrecht heeft en al helemaal niet op de relevantie ervan voor andere disciplines.

            Wel wordt er door prof. dr. Guus Sötemann een vergelijking getrokken tussen de zekerheidsbasis binnen de litatuurwetenschap en de natuurkunde. Sötemann betoogt dat er geen allesomvattend concept voor de literatuurwetenschap bestaat en sluit zich aan bij de opvatting van de dichter J.C. Bloem, die ervoor heeft gepleit poëzierecensies zo kort mogelijk te houden omdat, in de woorden van Sötemann, de recensent het wezen van de poëzie ‘toch nooit kan raken’. Hij zag echter een vergelijkbare situatie in de natuurkunde. Sötemann:

Ik was eens in gesprek met Casimir, de grote natuurkundige die zich zeer interesseert voor literatuur, en toen kwam dit probleem ter sprake. En hij vertelde me dat in de natuurkunde eenzelfde probleem aan de orde is. Als je mij vraagt wat een magnetisch veld is, zei hij, kan ik je een immense hoeveelheid eigenschappen van dat veld opsommen. Maar als je zegt: ‘Wat is nu het magnetisch veld?’, kan ik je daar geen antwoord op geven.[2]

            Ook verraadt Sötemann iets van zijn persoonlijke motivatie als literatuurwetenschapper in relatie tot werkveld en werkmethode. Hij doet dat in antwoord op de vragensteller, Jaap Goedegebuure, die aangeeft dat de literatuurwetenschap niet alleen wil interpreteren, maar ook kennis wil structureren en systematiseren. Goedegebuure:

En de literatuurwetenschap is natuurlijk in de eerste plaats geïnteresseerd in de veelheid van teksten, in het literaire van teksten. Je kunt wel eindeloos teksten blijven intepreteren, maar je moet ook naar modellen toe.

Sötemann kiest in de eerste plaats voor het interpreteren van teksten:

Ik zit zo in elkaar, dat ik nu juist dat eindeloos interpreteren het leukst vind. Daarmee deprecieer ik helemaal niet wat men doet in de literatuurwetenschap, het zoeken naar modellen en dergelijke.

Tegenwoordig lijkt het ontwikkelen van modellen centraal te staan binnen de literatuurwetenschap. Een aanwijzing daarvoor is een passage in een inleidend artikel van het Tijdschrift voor Scandinavistiek, dat in het tweede nummer van 2004 gewijd was aan postkolonialisme en Noordse reisliteratuur. De redacteuren van dit nummer verwoorden hun wetenschappelijke motivatie om zich met teksten bezig te houden door te wijzen op de rijkdom van de onderzoeksstof en de centrale rol van die onderzoeksstof in de samenleving:

De reden dat wij er überhaupt voor kiezen om ons bezig te houden met tekstmateriaal, en in het bijzonder met literaire teksten, is in de eerste plaats dat literaire teksten worden gekenmerkt door uiterst gecompliceerde semantische en semiotische uitdrukkingssystemen, die bovendien voortdurend in beweging zijn. Zij blijken effectiever, vruchtbaarder en concreter te zijn wanneer het gaat om ideologische communicatie. Daarnaast spelen literaire teksten een wezenlijke ideologische rol in processen van overdracht, waarbij individuele zienswijzen worden verspreid onder grotere groepen in de samenleving. Bovendien wordt de literatuur gebruikt in een reeks maatschappelijke instituties, zoals in het onderwijs, wat tot gevolg heeft dat bepaalde tekstuele fenomenen en debatten een zeer grote verbreiding en een lange levensduur kunnen krijgen. De literatuur speelt namelijk een sleutelrol bij de constructie van de culturele identiteit en draagt actief bij aan de ontwikkeling van culturele autoriteit.[3]

Dr. Otto Kroesen, universitair docent ethiek aan de TU Delft, benadrukt het tijdsaspect in de verhouding tussen natuurwetenschappen en letteren. De ene methode is in zijn visie niet per definitie beter dan de andere, maar ze horen elk bij een bepaald tijdperk. De ontwikkelingsmogelijkheden van de bètavakken raken op termijn uitgeput, hoewel het tijdstip waarop nog niet duidelijk is, terwijl er voor de inrichting van de nieuwe, wereldwijde samenleving niet zozeer wiskunde, maar vooral menskunde nodig zal zijn. Kroesen:

Maar wetenschap en techniek vormen een tijdelijk project van het menselijk geslacht. Zolang de noodzaak zich aandient om in één geest, eenduidig en zonder misverstanden, de buitenwereld te onderwerpen aan onze ontwerpen, hebben wetenschap en techniek alle recht aan hun zijde. (...) De wetenschappen van de toekomst zullen de sociologie en de taalwetenschap zijn. (...) De grammatica en de sociologie zullen in de toekomst mensen toegankelijk voor elkaar maken.[4]

C. Niet-alfa’s over de waarde van de alfa’s

Er zullen genoeg wetenschappers in Nederland zijn die menen dat de letterenstudies geen wetenschap zijn en zo ze het al zijn, niet de moeite waard zijn om te beoefenen. Een vertegenwoordiger van die visie tijdens de collegereeks van de Noodfaculteit was de al genoemde prof. De Vries, die optrad als co-referent in de discussie na het college van prof. dr. Arjo Klamer.

            De Vries in reactie op Klamer:

De vraag is of we hier een letterenfaculteit moeten krijgen. Als ik mensen die werken in de literatuur en in de literatuurwetenschap zou moeten geloven, dan denk ik dat dat wel eens niet zo’n goede zaak zou kunnen zijn, in Rotterdam. Ik kan mij nog de Huizingalezing herinneren van Karel van het Reve, die korte metten maakte met de hele literatuurwetenschap. Hij zei dat het een onzalige wetenschap is, dat die mensen niet kunnen schrijven en dat het de dood in de pot is. (...)

            De meeste wetenschappen onderzoeken iets positivistisch. Dat doet de literatuurwetenschap ook, maar dat moet je naar mijn mening niet met literatuur doen. Je moet gewoon lezen voor je plezier. Dat plezier wordt je aardig vergald als er een faculteit is die dat bestudeert.

Klamer zelf daarentegen hecht zeer aan de waarde van letterenstudies voor de universiteit in het algemeen en voor de geestelijke ontwikkeling van studenten in het bijzonder. Hij heeft veel ervaring opgedaan bij Amerikaanse liberal arts colleges. Klamer:

De letterenvakken zijn daar cruciaal, dat er gelezen wordt en geschreven, dat mensen begrijpen wat het probleem van een tekst is en daar inzicht in kunnen ontwikkelen. Dat mensen begrijpen dat het een vaardigheid is om goed te lezen, dat ze gedichten kunnen bespreken en analyseren en dat dat alles even belangrijk is als de wiskunde kunnen bedrijven.

Klamer, zelf een econometrist, gaf in deze discussie een voorbeeld van een specifieke alfawetenschappelijke techniek, namelijk de tekstanalyse, en de praktische toepassing daarvan op een economische tekst. Hij las samen met de betreffende wetenschapper, Michel Grimaud, een artikel van de econoom Gary Becker. Klamer:

Ik stond er helemaal van te duizelen hoe ongelofelijk complex zo’n tekst is, hoe ongelofelijk veel erin staat en dat een tekst vaak heel iets anders te melden heeft, dan je eigenlijk denkt. Na drie sessies van twee uur waren we nog steeds bij de tweede paragraaf, want hij bleef maar vragen. Waarom zegt hij het op die manier? Waarom gebruikt hij daar geen ander woord?

Klamer ging deze discussie aan omdat hij van mening is dat ook de economie gebaseerd is op taal. De narratieve vorm overheerst. Er wordt voortdurend verhaald en de metafoor is daarbij een belangrijk hulpmiddel. Dat maakt de grens tussen economie en literatuur flinterdun, zoals Klamer in de praktijk in de VS merkte. Hij ontmoette Deirdre McCloskey, hoogleraar liberal arts and sciences. Zij bracht vertegenwoordigers uit verschillende wetenschappelijke disciplines bijeen en bracht hen met elkaar in gesprek. Klamer:

Deirdre McCloskey nam aan de Universiteit van Iowa, waar zij doceerde en waar ik ben geweest, het initiatief om een kring te beleggen van mensen uit verschillende wetenschappen, uit de economie en ook uit de letteren, retorici. Elke dinsdag van de maand hadden wij een seminar, dat mij de spannendste intellectuele ervaringen gaf die ik ooit gehad heb. Daar werd ik als econoom geconfronteerd met een Victoriaans gedicht en werd er van mij verwacht dat ik meeging in de discussie. Tot mijn verbazing was dat mogelijk. Natuurlijk zijn wij ook bezig met de verbeelding van de werkelijkheid en het is interessant om dat te contrasteren, om de ene manier van verbeelden met de andere te vergelijken.

Ook de rechtswetenschappen hebben te maken met tekst. Mr. dr. Jeanne Gaakeer, die aan de Rijksuniversiteit Leiden promoveerde op een studie naar het werk van James Boyd White en inmiddels is benoemd tot bijzonder hoogleraar Rechtstheorie, in het bijzonder de verbinding tussen recht, taal en literatuur, aan de EUR, beschouwt het bedrijven van recht als ‘een talige bezigheid’. Recht en literatuur vinden beide hun grondslag in de taal. Beide lijken op elkaar en kunnen van elkaar leren. De beoefenaren van het recht zouden met behulp van literatuur hun afstand tot het publiek kunnen verkleinen. In de VS leidde die visie tot veranderingen in de vorming van juristen. Gaakeer:

In de zeventiger jaren van de twintigste eeuw kwam er in de Verenigde Staten een oproep om terug te keren naar de traditie van de geesteswetenschappen juist om het negatieve imago te doorbreken dat het recht en zijn beoefenaren bij het grote publiek hadden gekregen. Vooral de door leken als onbegrijpelijk ervaren taal van het recht lag onder vuur, omdat die leidde tot een communicatie-kloof.

Bij die oproep werd met name gedoeld op de literatuur als bron van normen en waarden en als voorbeeld voor eigen taalgebruik in woord en geschrift. In eerste instantie ging het dus om het dichten van de kloof tussen recht en samenleving ontstaan door de taal van het recht. De terugkeer moest dan ook tot uiting komen in een verandering in de juridische opleiding omdat daar de kiem van het geconstateerde kwaad zat.

Hierboven is de socioloog prof. Bevers al aangehaald, die stelt dat er in de afgelopen eeuw binnen de sociale wetenschappen een sterke neiging heeft bestaan om de benadering en methodiek van de natuurwetenschappen over te nemen. Dit is naar zijn mening ook binnen delen van de alfawetenschappen het geval. De letterenfaculteiten van nu zijn niet meer wat ze vroeger waren, zo waarschuwt Bevers:

Die ontwikkeling die ik zojuist schetste, de sociale wetenschappen die zich aan de natuurwetenschappen spiegelen om hun prestige en wetenschappelijke rangorde te verhogen, doet zich misschien ook wel voor binnen delen van de letteren. Dus over welke letterenfaculteit hebben we het precies? Ook binnen de letteren is er een richting die heel sterk naar modernisering van de wetenschappen streeft en die absoluut niet bezig is met de onderwerpen die u interessant vindt.”

Een bijzondere positie werd tijdens de colleges van de Noodfaculteit ingenomen door drs. Frans Meulenberg, publicist en, in deeltijd, als onderzoeker verbonden aan de afdeling Medische ethiek en filosofie van de geneeskunde, Erasmus MC, Rotterdam. Hij is een van de redacteuren van de bundel Ziektebeelden, Essays over literatuur en geneeskunde, waarin de relevantie van de literatuur voor de beoefening van de geneeskunst wordt aangetoond. Meulenberg richtte zich in zijn college dan ook niet zozeer op de letterkunde als wetenschap, maar op de literatuur als kunstvorm en het belang daarvan voor de medische ethiek.

            Meulenberg:

Maar hoe relevant is fictie – literatuur en films – voor medische ethiek? Ik ontkom niet aan enige theorievorming, maar zal deze theorie toelichten aan de hand van een uiterst relevant maatschappelijk en wetenschappelijk thema: het publieke debat over biotechnologie en genetica. Hierbij zal ik een roman als ‘bewijs’ voor mijn hypothese aanvoeren. Een hypothese die luidt: literatuur heeft (grote) invloed op de morele oordeelsvorming.

Uit het standpunt dat het lezen van literatuur waarde heeft voor de medische ethiek kan wellicht ook worden afgeleid dat de bestudering ervan eveneens waardevol kan zijn voor medici. Aan de discussie na het college van Meulenberg werd deelgenomen door prof. dr. Heert Dokter, emeritus hoogleraar Huisartsengeneeskunde aan de EUR. Hij wees vooral op het belang van volledigheid voor een universiteit, met name omwille van een vruchtbare onderlinge kennismaking en vorming studenten uit verschillende disciplines. Dokter:

Waarom is dat zo belangrijk voor een student? Ik zou u willen attenderen op een aardig boekje van Voskuil, Bij nader inzien. Hij reflecteert op de periode vlak na de oorlog, hoe de studenten toen met elkaar omgingen. Ik denk dat de contacten die de studenten onderling hadden, dus niet alleen binnen de letteren maar ook met medici, wis- en natuurkundigen, dat daar een heel proces van vorming plaatsvond. Ik denk dat dát belangrijk is, dat je studenten niet alleen voor het vak, maar ook voor de ‘maatschappij’ tussen aanhalingstekens, te vormen. Om ze dus meer mee te geven dat alleen de kennis van de medische faculteit.

Bovendien, zo stelde Dokter, maakt de geneeskunde gebruik van taal en dat is nu juist het onderzoeksveld van de letterenstudies:

Ik ben nog bezig met wat onderzoek, waarbij ik samenwerk met een medisch psycholoog. Wij voeren gesprekken over rouwen bij oudere mensen. In het kader daarvan nemen we de gesprekken die die mensen met ons voeren, op de band op. Er zijn onderzoekers die zulke gesprekken analyseren met een taalkundige achtergrond. Die komen met heel interessante gegevens. Daarom zou een verbinding naar zo’n letterenfaculteit voor mij van betekenis zijn. Om het gesprek tussen arts en patiënt nader, op taalkundige wijze, te analyseren.

D. Plaats en functie van de alfawetenschappen

De hierboven aangehaalde discussie reikt dieper dan wat we hier aan argumenten hebben opgesomd en heeft bovendien een belangrijke historische component. In zijn onderzoek naar Duitse en Amerikaanse invloeden op de Nederlandse universitaire wereld gaat J.C.C. Rupp, historisch socioloog aan de Universiteit van Amsterdam, in op het Duitse Bildungsideal. Kernpunten in deze visie, voor een belangrijk deel ontwikkeld door Wilhelm von Humboldt (1767-1835), waren vrijheid van onderwijs en onderzoek aan de universiteit en het vormen van een niet aan geografische of andere beperkingen gebonden gemeenschap van geleerden. De kern van de universiteit was de faculteit van de vrije kunsten, de filosofische faculteit.

            In Nederland heeft dit ‘onderzoeksideaal’ slechts beperkt wortel geschoten. Ook in Amerika klonk dit denkbeeld door, maar daar kwam de wetenschap mede in dienst te staan van de maatschappelijke noodzaak tot vorming van burgerschap. Hierdoor kreeg de algemene vorming een belangrijke plaats als fundament voor de beroepsvorming, die daarna volgde binnen een van de professional schools.

            Tijdens de colleges van de Noodfaculteit Letteren Rotterdam werd op de Amerikaanse situatie vooral ingegaan door Arjo Klamer, die grote voordelen ziet in zo’n algemene vorming voorafgaand aan de gespecialiseerde studie. Hij pleitte dan ook voor uitbreiding van de letterenvakken in Nederland, omdat hij dit even belangrijk acht als vorming in bijvoorbeeld de wiskunde. Klamer:

Nu heb ik meestal gedoceerd aan liberal arts universities. De letterenvakken zijn daar cruciaal, dat er gelezen wordt en geschreven, dat mensen begrijpen wat het probleem van een tekst is en daar inzicht in kunnen ontwikkelen. Dat mensen begrijpen dat het een vaardigheid is om goed te lezen, dat ze gedichten kunnen bespreken en analyseren en dat dat alles even belangrijk is als de wiskunde kunnen bedrijven.

De Duitse situatie werd tijdens de colleges belicht door prof. dr. Robert von Friedeburg, historicus. Hij betoogde dat de geesteswetenschappen in een crisis zijn geraakt, onder meer omdat de maatschappelijke waarde van deze studies enorm is afgenomen. Het Humboldtiaanse ideaal gold voor een kleine, geprivilegeerde minderheid. Von Friedeburg:

Natuurlijk is het zo dat de faculteiten der geesteswetenschappen, door de nadruk te leggen op dat vermogen om om te gaan met het geschreven woord, door letterkunde en geschiedenis te onderwijzen en door studenten te leren hoe ze zeer lange teksten konden lezen en schrijven een zeer kleine elite opbouwden. Dat was de Bildungsideologie.

Zonder die kennis kon een burger geen deel uitmaken van de hogere klasse, aldus Von Friedeburg. Maar dat is nu niet meer nodig, want ook zonder kennis van literatuur kan men een hoge positie krijgen in de maatschappij. Von Friedeburg:

De hoeveelheid kennis van literatuur en van geschiedenis die we in onze cultuur nodig hebben om een goedbetaalde baan te krijgen, om manager bij Shell te worden of iets dergelijks, is aantoonbaar minder zichtbaar dan zo’n honderdvijftig jaar geleden.

De geesteswetenschappen zijn door die devaluatie in een crisis terechtgekomen, die aan de Nederlandse universiteiten algemeen zichtbaar is sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek valt af te leiden dat tussen 1992 en 1998 het aantal ingeschrevenen en geslaagden in de vakken taal en cultuur aan de Nederlandse universiteiten afnam met 30,4 procent, terwijl het totaal aantal ingeschreven en geslaagde studenten daalde met 14,4 procent. De daling bij de letteren was dus verhoudingsgewijs tweemaal zo groot als de afname van het totaal. Overigens is sindsdien weer een stijging opgetreden.

            In het in januari 2002 verschenen Witboek Letterenfaculteit Rotterdam wordt een aantal factoren van deze crisis genoemd. Alfa-studenten blijken door het Nederlandse bedrijfsleven significant minder te worden gewaardeerd, ondanks de grote behoefte aan kennis van talen en culturen die door werkgevers- en exportorganisaties voortdurend wordt benadrukt.

            De historicus prof. dr. W. Blockmans stelt vast dat alfa’s ook in het universitaire circuit weinig meetellen. Verhoudingsgewijs krijgen de letteren zeer weinig geld. Blockmans:

Iedereen die als vertegenwoordiger van welke discipline dan ook binnen de geesteswetenschappen of alfawetenschappen, ooit verantwoordelijk is geweest voor de verdediging der alfa’s heeft zich in een moeilijke positie bevonden. Het is vanzelfsprekend dat je voor minderwaardig wordt aangezien, omdat je weinig kapitaal in de materiële zin van het woord vertegenwoordigt. Wij alfa’s zijn arbeidsintensief en kapitaalsextensief.

De oorzaak van veel van deze ellende ligt volgens Blockmans bij de alfa’s zelf. De toetredingsdrempels zouden te laag liggen. Blockmans:

Wie chemie wil gaan studeren, moet voldoen aan een pakket toelatingseisen, zoals de eis dat men al chemie als vak heeft gehad. Bij medici is dat nog strenger geregeld. Wanneer je Duits wilt gaan studeren in Nederland, dan hoeft men geen woord Duits of bijvoorbeeld Latijn te kennen. Je hoeft vantevoren niets gedaan te hebben, er worden geen eisen gesteld door de alfastudierichtingen.

Een korte opsomming van de problemen die de alfawetenschappen nu al enkele decennia plagen, werd gegeven tijdens een bijeenkomst van de Commissie Geesteswetenschappen met faculteiten en onderzoekscholen ter bespreking van de mogelijkheden voor een onderzoekvariant binnen de masteropleiding, die in oktober 2000 werd gehouden in Amsterdam. De dagvoorzitter, prof. dr. J.R.T.M. Peters, somde de volgende bedreigingen op voor het behoud en de versterking van het geesteswetenschappelijk onderzoek:

  1. Door het pleidooi om fundamenteel onderzoek meer marktconform te sturen, komt het alfa-onderzoek ten dienste van het bèta-onderzoek te staan.
  2. De landelijke coördinatie van het onderzoek zal vooral op de geesteswetenschappen een nadelige invloed hebben.
  3. Bij de kleine letteren dreigt afkalving, omdat deze niet meer door het Convenant Kleine Letteren worden beschermd.

Voor deze ‘kleine letteren’ was in september van het jaar 2000 een KNAW-adviescommissie benoemd. Deze kwam in 2002 met een rapport waarin werd gesteld dat de kleine letteren ‘in wetenschappelijk, economisch en cultureel opzicht een nationaal belang vertegenwoordigen’ en werd aanbevolen dat belang ook in geld te vertalen. Onder strikte voorwaarden zou zelfs een aparte financiering denkbaar moeten zijn, waarbij niet de instroom van van studenten en het aantal afgelegde examens de voornaamste parameters zouden vormen, maar de wetenschappelijke productiviteit en kwaliteit van onderwijs en onderzoek.[5]

            Al begin jaren negentig was een adviescommissie gevormd die tot doel had de kleine letteren te beschermen tegen verdere afbraak. Een van de conclusies destijds was, dat de kleine letteren het slachtoffer waren van oneigenlijke criteria, namelijk studenteninstroom en studierendement, waardoor de bekostiging van deze studies voortdurend in gevaar is.

            Een aanzet voor een nieuwe rol van de letterenstudies, in meer uitgebreide zin de geesteswetenschappen, is gegeven door de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) in haar rapport Geëngageerde geesteswetenschappen, Perspectieven op cultuurveranderingen in een digitaliserend tijdperk.[6] Volgens deze commissie moeten de geesteswetenschappen in Nederland zich meer laten gelden, bijvoorbeeld door aan te haken bij actuele technologische ontwikkelingen.

            De toekomst is aan nieuwe letterenstudies die interdisciplinair zijn. De AWT denkt in dat verband aan een scala van onderzoeksmogelijkheden op het gebied van de alfa- en gammawetenschappen op het gebied van de informatie- en communicatietechnologie en de maatschappelijke en culturele gevolgen daarvan.

            Een basisvoorwaarde voor zulke nieuwe letterenstudies is dat ze komen te bestaan uit de drie elementen die het AWT-advies noemt: traditioneel, pragmatisch en normatief-kritisch. Wordt vanuit die basisgedachte gewerkt, dan is er plaats voor het bestaande alfa-onderzoek, voor maatschappelijk relevant onderzoek zoals de AWT zich dat bijvoorbeeld op ICT-gebied voorstelt en voor hoogwaardig toekomstgericht onderzoek.

            Een stelling in het rapport, waaraan ook door de Erasmus Universiteit is bijgedragen, luidt dat er wel degelijk mogelijkheden zijn voor meer letterenonderzoek:

De Commissie concludeert dat de onderzoekscapaciteit in de Nederlandse geesteswetenschappen in kwantitatieve zin volstrekt onvoldoende is. Deze is sowieso al klein met het oog op de bestaande onderzoeksagenda, maar zij is zeker onvoldoende indien er nieuwe uitdagingen aan zouden worden toegevoegd.[7]

Ook de samenleving zou zich meer bewust moeten zijn van het belang van de alfadisciplines. Het rapport:

Tot het bedrijfsleven, de non-profitorganisaties en de overheden in Nederland wordt gezegd: onderken dat de ontwikkelingen die zich in een digitaliserend tijdperk voordoen, belangrijke geesteswetenschappelijke componenten hebben. Streef naar een integrale aanpak van problemen en maak daarbij reeds in een vroeg stadium gebruik van geesteswetenschappelijke expertise.[8]

Nieuwe mogelijkheden voor taalkundig en letterkundig onderzoek in Nederland werden belicht in het KNAW-rapport Gij letterdames en gij letterheren, dat in 2003 is uitgebracht door de Verkenningscommissie Taal- en Letterkunde en waartoe in maart 2002 een conferentie werd belegd.[9] Het rapport beschrijft de ontwikkeling van de taal- en letterkunde in Nederland, bevat een aantal sterkte/zwakte-analyses en bevat aanbevelingen voor de verdere uitbouw van deze disciplines.

            De letterkunde wordt gedefinieerd als de studie naar de literaire productie, distributie en receptie in haar culturele context in afzonderlijke talen en de kenmerken van de literatuur in het algemeen. De Verkenningscommissie constateert een sterke expansie van dit vakgebied, maar maakt zich zorgen over de specifieke plaats van de literatuur. Het literaire werk dreigt af te zakken tot een gewoon document temidden van andere teksten. Positief is dat Nederlandse literatuurwetenschappers betrokken zijn bij een aantal grote internationale projecten.

            De taalkunde wordt in dit rapport opgevat als de wetenschap van de taalverschijnselen, die zowel de kenmerken van de afzonderlijke talen als die van de talen in het algemeen bestudeert. In de ruime zin omvat dit begrip ook taalbeheersing en communicatiewetenschap. De taalkunde wordt gezien als een typische cognitiewetenschap. Vastgesteld wordt dat de grenzen tussen taalkunde en verwante vakken als neurowetenschappen, psychologie en artificiële intelligentie vervagen, maar er wordt verwezen naar pleidooien om de eigen concepten en methoden van ieder vakgebied in stand te houden waar dat nodig is.

            Behalve deze passage bevat het rapport geen duidelijke verwijzingen naar mogelijke verbanden met andere wetenschappelijke disciplines of naar de mogelijke relevantie van de geesteswetenschappen binnen het grotere geheel van de Nederlandse universitaire wereld.

E. Conclusies

1.         De term ‘exacte wetenschappen’ voor bètastudies is misleidend wanneer daarmee zou worden geïmpliceerd dat alfawetenschappen niet exact zouden zijn. De term was oorspronkelijk waarschijnlijk een ideologisch hulpmiddel voor de emancipatie van de bèta-wetenschappen. Het enige verdedigbare argument dat de bètastudies in dit verband kunnen gebruiken, is dat het omschrijven van absolute kwantitatieve waarden in narratieve vorm ten koste kan gaan van cijfermatige precisie. Maar er is in de praktijk geen reden om aan te nemen dat verbale beschrijvingen van niet-materiële processen op zich minder exact zouden zijn dan de formele weergaven van materiële processen. Elk onderzoeksgebied gebruikt zijn eigen, meest effectieve methodiek. Daarom is er geen reden om mee te gaan in deze terminologie.

2.         Aangezien alfa-onderzoekers naar believen bèta-methoden overnemen, terwijl bèta-onderzoekers vanouds al alfa-methoden hanteren, bestaat er geen principieel verschil tussen de geesteswetenschappen en natuurwetenschappen. Zo’n verschil lijkt slechts gradueel en niet principieel. Het gaat om een scala van plaatsen binnen een spectrum dat loopt van digitaal naar analoog, van cijfermatig naar narratief.

3.         Het meest fundamentele verschil tussen de alfa- en gammawetenschappen enerzijds en bètawetenschappen anderzijds is niet de gehanteerde methodiek, maarhet onderzoeksobject. De eerste groep houdt zich bezig met levende materie, de tweede met dode materie. Een specifieke kwaliteit van levende materie is, dat deze ‘geest’ heeft, een verschijnsel waarvan de wetenschap tal van eigenschappen kan opnemen, maar waarvan het wezen net zo ondefinieerbaar is als het bovengenoemde magnetisch veld van Casimir.

4.         De indruk ontstaat dat er binnen andere wetenschappelijke disciplines meer mensen zijn die zich actief bezighouden met de relevantie van de letterenstudies voor terreinen daarbuiten, dan binnen de letterenstudies zelf. Literatuur over dit onderwerp is nauwelijks gevonden. Ook binnen andere disciplines wordt die vraag naar de relevantie in breder verband maar zelden gesteld, maar juist in het geval van de letteren verbaast dit en wel om de volgende redenen:

  • elk vak maakt gebruik van taal en andere uitdrukkingsmiddelen en betekenisdragers, zelfs de meest abstracte wiskunde, en beweegt zich daarom op het onderzoeksveld van de letteren in de brede zin van het woord;
  • de geesteswetenschappen vormen een bedreigde discipline, of groep van disciplines zo men wil, en heeft dus alle reden om grenzen te verkennen en de eigen betekenis voor andere gebieden te definiëren;
  • als er binnen de rechtenstudies, de sociologie, de medicijnen en andere disciplines – zelfs binnen een ‘zakelijke’ universiteit als de Erasmus Universiteit Rotterdam, zoals bij de colleges van de Noodfaculteit is gebleken – zoveel actieve belangstelling bestaat voor concepten en methoden uit de letteren, waar is dan binnen de letterenwereld de belangstelling voor die andere disciplines?

5.         De geesteswetenschappen, alfastudies, letteren of hoe men ze ook noemen wil, blijken bij uitstek relevant voor de universiteit als geheel en door vertegenwoordigers van afzonderlijke studierichtingen wordt die relevantie nadrukkelijk beargumenteerd. Studierichtingen als geneeskunde en rechten in Rotterdam houden zich actief bezig met taal- en letterkundige vakken. Het bezit van zo’n geesteswetenschappelijke faculteit kan daarom bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek aan de betreffende universiteit.

6.         Als de dominantie van de natuurwetenschappen een gevolg is van de technische ontwikkeling van de afgelopen eeuwen, die mogelijk in intensiteit kan afnemen terwijl aan de opbouw van de menselijke samenleving meer aandacht zal moeten worden besteed, dan lijkt een inspanning voor uitbreiding van de geesteswetenschappen op dit moment een nuttige, anticyclische investering.

 

Dit artikel is gepubliceerd in 'Letteren, wetenschap, samenleving', over de zin van letterenstudies voor wetenschap en maatschappij, red. F. Houweling, uitg. Damon, Budel, 2005, ISBN 90 5573 668 6.

 


[1] Drs. F. Houweling, voorzitter van de Stichting Noodfaculteit Letteren Rotterdam, studeerde scandinavistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen.

[2] Jaap Goedegebuure en Odile Heynders, Literatuurwetenschap in Nederland, een vakgeschiedenis, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1996, ISBN 90-5356-190-0, pp. 71,72.

[3] Aldus prof. dr. H. van der Liet en A. Surmatz in Tijdschrift voor Scandinavistiek, jaargang 25, 2004/2, ISSN 0168-2148, ISBN 90-809186-1-X, pp. 10 en 11. Vertaling door de auteur van dit artikel.

[4] Dr. Otto Kroesen, Tegenwoordigheid van geest in het tijdperk van de techniek. Een inleiding in het denken van Eugen Rosenstock-Huessy, Meinema, Zoetermeer, 1995, ISBN 90-211-3628-7, pp. 35-36.

[5] Vensters op de wereld, De studie van de zogenoemde ‘Kleine Letteren’ in Nederland, Rapport van de Adviescommissie Kleine Letteren, Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, Amsterdam, februari 2002, ISBN 90-6984-345-5.

[6] Wiebe Bijker en Ben Peperkamp (redactie), Geëngageerde geesteswetenschappen, Perspectieven op cultuurveranderingen in een digitaliserend tijdperk, AWT-Achtergrondstudie nummer 27 van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, Den Haag, mei 2002, ISBN 90 77005 09 9.

[7] ibid. p.23.

[8] ibid. p.11.

[9] Swanborn, Joost R., ‘Gij letterdames en gij letterheren’ Nieuwe mogelijkheden voor taalkundig en letterkundig onderzoek in Nederland, Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, Verkenningscommissie Taal- en Letterkunde, Amsterdam, 2004, ISBN 90-6984-406-0.