Rotterdam heeft geleerd te herdenken

Rotterdam heeft de laatste jaren een grote stap vooruit gemaakt. Op 20 september 2001, ruim een week na de aanslagen in New York, schreef ik in deze krant dat Rotterdam een centrale plaats voor herdenkingen ontbeerde. Slechts twintig mensen waren bijeengekomen om de aanslagen te herdenken, waar in andere steden honderden tot duizenden mensen bijeenkwamen.

Ik bracht dat toen in verband met het klaarblijkelijke onvermogen van de Rotterdammers om het eigen bombardement te herdenken. Maar intussen is een jaarlijkse, waardige herdenking van dat bombardement traditie geworden. Bovendien kwamen op 8 januari zo'n vierduizend mensen bijeen bij het monument van Zadkine op Plein 1940, waar burgemeester Aboutaleb een van de meest gedenkwaardige toespraken hield in de geschiedenis van deze stad. Een toespraak die internationaal de aandacht trok.

Rotterdam en de Rotterdammers zijn gegroeid, nu eens niet in de hoogte of de breedte, maar in de diepte. Dat is een grootse prestatie die hoop geeft voor de toekomst.

Gepubliceerd in Algemeen Dagblad/Rotterdam, 19 januari 2015

Lees de artikelen over de herdenking van het bombardement van 14 mei 1940:

 

Rotterdams Dagblad, 19 mei 2001:

Het 'weg-gewerkte' bombardement

Het is pijnlijk voor Rotterdammers wanneer de minister van Defensie notabene op de veertiende mei een overeenkomst sluit met de Luftwaffe, maar de beschuldigende vinger kan makkelijk naar ons terugwijzen. Dat De Grave het Rotterdamse protest naast zich neerlegde, getuigd van botheid. Maar hoeveel valt de bewindsman precies te verwijten wanneer Rotterdam zelf nauwelijks de moeite neemt om het bombardement en zijn slachtoffers te herdenken?

Minister De Grave heeft gebruik gemaakt van het feit dat het bombardement al lang niet meer wordt gezien als iets dat het hele land aangaat. Het Nationale Monument in Amsterdam, de Grebbeberg, Hotel de Wereld en de Waalsdorpervlakte, dat zijn oorlogsgedenkplaatsen met een betekenis voor heel Nederland. Het bombardement wordt gezien als een lokale ramp zoals de vuurwerkramp in Enschede, iets ergs dat een gevoel van medeleven kan opwekken.

De geschiedenis heeft niet meegewerkt. De betekenis van het bombardement is binnen een dag na die veertiende mei verdwenen in de schaduw van de capitulatie en de bezetting. Daarna hebben wij Rotterdammers de pijn wellicht iets te snel 'weg-gewerkt'.

Tegenwoordig lijkt het alsof het bombardement hoofdzakelijk bouwkundige gevolgen heeft gehad. Menselijk verdriet is ook nog wel te vinden, maar wordt door de getroffenen individueel gedragen. Warschau, Coventry en Hirosjima, deze namen zijn de geschiedenisboeken ingegaan. Rotterdam niet. De befaamde Encyclopaedia Brittanica noemt in het hoofdstuk over de Tweede Wereldoorlog in Nederland het bombardement op Rotterdam niet eens meer.

Maar de vraag is of wij vinden dat het bombardement van meer dan alleen lokale betekenis is. Zo ja, dan zullen we de argumenten daarvoor onder de aandacht van de rest van het land moeten brengen. En we zullen moeten leren herdenken op zo'n manier dat Nederland daar niet omheen kan. Het karwei van de wederopbouw is zo'n beetje klaar. Laten we eens nader bekijken waarom we ons die inspanning eigenlijk hebben getroost.

 

Rotterdams Dagblad, 20 september 2001:

Waar herdenken de Rotterdammers 9/11?

Rotterdam ontbeert nog steeds een centrale plaats voor herdenkingen, zo blijkt uit het verslag in de krant van 15 september over de drie minuten stilte voor de slachtoffers van de aanslagen in de VS. Terwijl de televisie beelden toont van honderden mensen bij de Amerikaanse ambassade in Den Haag, duizenden mensen op de Dam in Amsterdam en zelfs honderden in Roermond, blijft Rotterdam volledig buiten beeld. In landelijke kranten leidde dit tot het bericht dat er in Rotterdam zegge en schrijve twintig mensen bijeen waren gekomen bij het beeld van Zadkine.

Deze stad doet zichzelf onrecht aan. Rotterdam weet, met alle respect voor Enschede, als geen andere stad in Nederland wat een dergelijke terreur teweeg brengt. Waarom dan zo'n versnipperde herdenking diegeen enkele uitstraling heeft?

Mag ik, zonder drammerig te willen zijn, terugkomen op mijn brief van 19 mei van dit jaar naar aanleiding van het ondertekenen van een samenwerkingsverdrag met de Luftwaffe door minister De Grave van Defensie op de dag dat het bombardement van Rotterdam werd herdacht. Het ging toen niet om het verdrag zelf, maar om het feit dat de minister niet wist dat die herdenking werd gehouden. Mijn stelling toen was dat wij Rotterdammers zullen moeten leren herdenken op zo'n manier dat Nederland daar niet omheen kan. Niet omwille van onze eigendunk, maar omdat wij Nederland mogelijk iets te vertellen hebben, namelijk wat het betekent in een vernietigde stad te leven. Dat mogen we niet nalaten. Een voor iedereen centrale herdenkingsplaats met een symbolische waarde zoals het Monument op de Dam in Amsterdam, is daarvoor een eerste voorwaarde.

 

Rotterdams Dagblad, 5 maart 2003:

Museum voor Rotterdammers en toeristen

Het Bombardementsmuseum kan net als de Berlijnse Kaiser Wilhelm Gedächtniskirche gericht zijn op stadsbewoners én bezoekers. Net als de kerk in Berlijn zou het niet alleen een documentatie- maar ook een bezinningscentrum moeten zijn. Bovendien ontbeert Rotterdam nog steeds een centrale plaats waar het bombardement wordt herdacht. Die kan bij het museum komen. Met die centrale herdenking kan al worden begonnen voordat het museum er is, namelijk op 14 mei aanstaande.

 

Rotterdams Dagblad, 22 mei 2002:

Een waardige en een vergeten herdenking

Massaal en op waardige wijze heeft Rotterdam de dood herdacht van Pim Fortuyn. De stad heeft daarbij een voorbeeld gegeven aan de rest van Nederland. En al vonden sommigen de emoties misschien wat overdreven, het gebeurde toch maar. Als we geen gevoelens hadden getoond, zou het onverteerbaar zijn geweest. Des te verwonderlijker is het, dat de veertiende mei ook dit jaar weer zo geruisloos is verlopen. Bij het monument aan de Statenweg, tegenover nummer 147, verzamelden zich dinsdag om een uur 's middags nog geen honderd mensen, plus de burgemeester, enkele (deelgemeente)raadsleden, oud-strijders en een zangkoor. De herdenking was sober en kort.

Welke betekenis heeft deze herdenking nog voor Rotterdam en de Rotterdammers? Heeft het bombardement inderdaad nog maar zo weinig herinneringswaarde en zijn de schrik, het verdriet en de verontwaardiging al zo diep weggezakt dat het eigenlijk niet meer nodig is? Dan kunnen we misschien de beknopte ceremonie bij de gedenksteen ook laten varen. Ik hoorde deze week tweemaal zeggen dat Rotterdam op 10 mei was gebombardeerd, dus zelfs de datum begint al uit het geheugen te verdwijnen. Vorig jaar heerste er nog grote verontwaardiging over minister De Grave die zich klaarblijkelijk niet bewust was van de betekenis van de veertiende mei omdat hij op die dag een samenwerkingsverdrag met de Duitse Luftwaffe tekende. Daaruit bleek al dat de herdenking van het bombardement, die in Rotterdam al zo weinig waarde heeft, buiten onze stad helemaal op geen enkele wijze meer leeft.

Of weten we toch beter? Noemde burgemeester Opstelten in zijn toespraak aan de Statenweg 14 mei 1940 niet 'de zwartste dag in de geschiedenis van Rotterdam'? En juist die gerichte en selectieve vernietiging van de woonstad, in plaats van de militaire doelen in Rotterdam, maakt dat de herdenking van het bombardement niet alleen van belang is voor de Rotterdammers zelf, maar ook voor al die andere burgers van steden die later hetzelfde hebben meegemaakt. Niet iedereen zal het met die woorden eens zijn of ze goed kunnen plaatsen.

We kunnen over de aard van het bombardement en de gevolgen ervan nog lang en breed discussiëren. En dat moeten we vast en zeker ook blijven doen. Maar niet zonder werkelijke herdenking die de ernst van de gebeurtenissen van destijds recht aandoet. Een herdenking die een uitstraling heeft naar de rest van Nederland en daarbuiten. Op dit moment is zo'n discussie bijna niet meer mogelijk. Degenen die het bombardement hebben meegemaakt vallen weg, het onderwerp zelf is verworden tot een specialisme van Rotterdam-liefhebbbers. Het beeld van Zadkine staat betekenisloos te verwaaien en moet wellicht binnenkort plaatsmaken voor een torenflat. Dan gaan we er maar weer eens mee sjouwen, naar een ander pleintje in de stad.

Er zijn argumenten genoeg om de herdenking van de veertiende mei nu eindelijk eens serieus te nemen. Het lijkt me dat de nieuwe gemeenteraad daarvoor het initiatief kan nemen door een plek aan te wijzen waar volgend jaar een waardige herdenking kan worden gehouden, met een goed programma en voldoende publiciteit zodat ook inwoners die niet in Rotterdam geboren zijn, snappen waarom het gaat en dat kunnen meebeleven. Zodat de betekenis van de herdenking ook kan worden uitgedragen naar buiten. Wat mij betreft kan dat het best bij het beeld 'De Verwoeste Stad'.

Herdenken is geen sentiment of chauvinisme. Herdenken is het steeds herontdekken van je eigen plaats in de geschiedenis. Voor ons Rotterdammers is dat niet iets om naar willekeurig te doen of te laten. Het is veel eerder een verplichting naar onze ouders en nageslacht. We hebben opnieuw een jaar de tijd om er iets van te maken.

 

Rotterdams Dagblad, 13 mei 2005:

Waarom zouden we herdenken?

De laatste jaren wordt de roep om een echte herdenking van het bombardement van mei 1940 sterker. We zien het voorbeeld van Berlijn, Dresden, Warschau, Hirosjima en andere steden die door oorlogsgeweld zijn verwoest en beseffen wellicht dat Rotterdam ook in dat rijtje namen thuishoort. Die erkenning krijgen we ook van buiten, zo blijkt uit het bericht in de krant van afgelopen zaterdag dat er in Berlijn een panorama wordt opgericht waarop de gevolgen van het bombardement op Rotterdam wordt verbeeld.

Steeds meer wordt begrepen dat het korte samenzijn van enkele notabelen en veteranen aan de Statenweg op 14 mei om 13.00 uur een wel erg armzalige vertoning is. Gelukkig zijn er dit jaar diverse andere gelegenheden, zoals een bijeenkomst in de Laurenskerk, een fietstocht langs de brandgrens en een literaire marathon ‘s avonds in het Bibliotheektheater. Dat is prima, maar niet iets om te vergelijken met wat er op 13 februari in Dresden gebeurde, waar de bevolking massaal deelnam aan de herdenking, die bovendien internationaal de aandacht trok. Zie de website van deze stad.

Zoveel aandacht vinden Rotterdammers blijkbaar overdreven. Maar is dat wel zo, of doen we onszelf onrecht aan met onze bescheidenheid? Waarom is het de moeite waard om de herdenking van het bombardement van mei 1940 een veel duidelijker plaats te geven in het Rotterdamse stadsleven?

Om die vraag te beantwoorden, is het goed om de gebeurtenissen van 65 jaar geleden eens nader te bekijken. Er zijn twee soorten rampen die herdenkingen nodig maken, natuurrampen en historische gebeurtenissen. De Watersnoodramp van 1953 is een voorbeeld van het eerste. Zo’n ramp is verschrikkelijk, maar het enige wat je kunt doen na zo’n gebeurtenis is uithuilen en opnieuw beginnen. Begraaf de doden, plaats een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers en als waarschuwing voor toekomstige generaties dat het noodzakelijk is om je leefomgeving afdoende te beveiligen. En dat is het dan.

Maar een bombardement is geen natuurramp, het is een door mensenhand te weeg gebrachte, bewuste en moedwillige daad. Dan zijn er niet alleen slachtoffers, maar ook daders. Het herdenken van zo’n gebeurtenis is niet zozeer een waarschuwing voor de eigen gemeenschap om zich beter op zulke gebeurtenissen voor te bereiden, maar eerder een teken naar de hele mensheid dat mensen die in staat zijn tot zulke daden, het handelen onmogelijk moet worden gemaakt. Het monument is de aanklacht, het herdenken zelf iedere keer weer een rechtszaak tegen die daders.

Toen Osip Zadkine het beeld ‘De verwoeste stad’ een plaats gaf in Rotterdam, gaf hij daarmee aan dat de vernietiging van deze stad een historische en universele betekenis had. Dat sprak het merendeel van de Rotterdamse bevolking echter nauwelijks aan. De Rotterdammers zelf echter, hadden de houding aangenomen van een gemeenschap die door een natuurramp is getroffen. Het waarom daarvan is niet helemaal duidelijk. Mogelijk komt het door vijf jaar Duitse bezetting, gevolgd door de acute noodzaak om de economie zo snel mogelijk weer op te bouwen. Misschien was het bescheidenheid, een gebrek aan historisch besef of wellicht zelfs het cynisme van sommigen die menen dat de vernietiging van een militair verdedigde stad bij de oorlog hoort, zelfs al heeft een Manuel Kneepkens het misdadige element aan de hand van het oorlogsrecht afdoende aangetoond in zijn ‘In het rijk van de demonen’.

In ieder geval is het nog niet te laat om de herdenking van het bombardement de plaats te geven die haar in het Rotterdamse stadsleven en in nationaal en internationaal verband toekomt. Wij, burgers van deze stad, zijn de enigen die dat kunnen doen. Pas als wij stilstaan bij de volle betekenis van het bombardement van mei 1940, zullen ook anderen dat gaan doen. Doen we dat niet, dan verdwijnt deze gebeurtenis langzaam maar zeker uit de geschiedenisboeken en komt het bombardement van Rotterdam terecht in het rijtje rampen waarvan het heel jammer is dat ze zijn gebeurd, maar waar niets aan was te doen.

 

Noot: In 2007 is Rotterdam begonnen met het grootschalig en zeer waardig herdenken van het bombardement van 14 mei 1940. Dat is vooral te danken aan een initiatief van Henk Mali (1935-2012) en een aantal andere stadgenoten die zich hier tot op de dag van vandaag voor inzetten.