Geen chauvinisme, wel eigenwaarde

Praatje Historisch Wel & Wee Café Roterodamum, Donner, Coolsingel, 14 september 2017.

Dank voor de gelegenheid om hier iets te zeggen over mijn boekje Steden van Erasmus. Het gaat over de steden Gouda en Rotterdam, over het erasmianisme en het calvinisme. Uit de eerste reacties kwam vooral naar voren dat veel lezers niet wisten dat het calvinisme oorspronkelijk een Zuid-Nederlandse aangelegenheid is geweest die pas aan het einde van de zestiende eeuw naar het noorden is geëxporteerd. Dat is naar mijn weten in het Calvijnjaar 2009 niet aan de orde gekomen!

Een beetje tot mijn verrassing stuitte ik op een misverstand dat ik graag uit de weg wil ruimen. In een enkele reactie klonk het woord ‘chauvinisme’ door. Nu heb ik een broertje dood aan chauvinisme, maar ik kan het wel enigszins begrijpen. Het boekje rekent af met historici die de ontvangst van kroonprins Filips II in 1549 minder vriendelijk hebben bejegend en steekt de loftrompet over de houding van de Rotterdammers van destijds. Daarna wordt de vloer aangeveegd met de calvinisten van de zeventiende eeuw en Rotterdam voorgesteld als slachtoffer van een heuse geschiedvervalsing op de rand van een soort karaktermoord. Dat alles natuurlijk toetsbaar en voorzien van context, maar toch. Ik kan me wel voorstellen dat sommigen in dit boekje een zoveelste poging zien om Erasmus te misbruiken ter meerdere eer en glorie van Rotterdam.

Aan mij de taak om te laten zien dat het boekje nadrukkelijk niet is geschreven vanuit een chauvinisme en dat een eventuele chauvinistische indruk volstrekt onbedoeld is. Dat het boekje niet alleen over Rotterdam gaat, maar ook over Gouda, is al een aanwijzing dat het niet gaat om het ophemelen van de ene of de andere stad.

Het aardige is dat ik met heel wat Amsterdammers over de inhoud van het boek heb gediscussieerd en wat er in het boekje staat is vast onderdeel van de cursussen geschiedenis van de Lage Landen die ik al jarenlang geef voor senioren van Hovo aan de VU in Amsterdam, Rotterdam, Tilburg en Nijmegen. Dat heeft geholpen om tot een afgewogen visie te komen die recht probeert te doen aan de waarheid.

Misschien is het goed om daaraan toe te voegen dat ik persoonlijk niet zulke sterke banden heb met Rotterdam. Toevalligerwijs ben ik hier geboren, maar al voordat ik goed en wel volwassen was heb ik de stad verlaten en lange tijd doorgebracht in onder meer Noorwegen, Drenthe, Amsterdam, Haarlem en Groningen. Ik heb jarenlang als journalist gewerkt bij kranten als de onvolprezen Aalsmeerder Courant, Leidsch Dagblad en Haarlems Dagblad. Door een ander toeval ben ik weer teruggekomen in Rotterdam, eenvoudigweg omdat er hier in de omgeving werk was. Toen ik uiteindelijk hierheen verhuisde, voelde ik mij bijna een nieuwkomer in deze stad en al snel vielen me een paar dingen op.

Het gaat daarbij om zaken die ik in andere steden niet in die vorm of in die mate ben tegengekomen. Bijvoorbeeld het verschijnsel dat veel Rotterdammers graag vanuit een soort quasi-nuchterheid overmatig bescheiden zijn als het gaat om hun stad. Een onderkoelde reactie. Sommige Rotterdamse historici wijzen bij voortduring op de onbeduidende rol die de stad in hun ogen in de geschiedenis heeft gespeeld, op het laatdunkende af. Daarvan heb ik een reeks voorbeelden gegeven, maar het is niet alleen bij de gebeurtenissen van 1549 het geval. Er lijkt in Rotterdamse geschiedenisboeken een sterke behoefte om de betekenis van de stad op allerlei punten te relativeren. In vergelijking met geschiedenissen van andere steden valt dat echt op.

Mijn indruk is dat er in Rotterdam onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds een oververhit chauvinisme en anderzijds een oprecht gevoel van eigenwaarde. Wat stelt het nou eigenlijk allemaal voor, lijken veel Rotterdammers zich af te vragen. Ik zie dat als een misplaatste nuchterheid die bovendien regelmatig gepaard gaat met een gebrek aan gevoel voor hetgeen anderen, echte buitenstaanders zoals toeristen, van deze stad vinden. Veel Rotterdammers lijken bijvoorbeeld niet echt te bevatten hoe waardevol een bezoek aan het beeld van Erasmus voor veel buitenlanders is, met name Amerikanen. Het is echt waar, ik spreek hierbij uit ervaring. Of de Erasmusverzameling van de bibliotheek, die is veel meer waard dan we vaak denken.

Er ligt hier een opvallende discrepantie tussen zelfbeeld en imago, tussen de manier waarop Rotterdammers hun stad zelf ervaren en hoe mensen van buiten deze stad zien. Misschien moet je een tijdlang buiten deze stad vertoeven om dat te kunnen waarnemen.

In ieder geval rijst de vraag waar de waarheid ligt. Wat heeft deze stad werkelijk te betekenen? Om een antwoord op die vraag te vinden, wil ik een voorbeeld geven. Wat zou er blijven bestaan van Rotterdam in ons collectieve geheugen wanneer een beetje cru gezegd, de hele boel hier nog eens een keer zou worden gebombardeerd? Wanneer al die betonnen torentjes weg zijn, het op zich best wel leuke centrum niet meer bestaat en Feyenoord daadwerkelijk nooit meer landskampioen zou worden? Wat is Rotterdam meer dan wat Tom Manders ooit zo mooi bezong, “z’n metro, z’n tunnel en z’n Feyenoord”?

Het is een vraag naar de intrinsieke betekenis van deze stad. Gek genoeg is een dergelijke vraag nooit elders bij me opgekomen, niet in Amsterdam, Groningen of Haarlem. Hier wel. Ik meen iets van een antwoord te hebben gevonden, niet in de Rotterdamse geschiedenis zelf, maar opmerkelijk genoeg in onze nationale geschiedenis, waar Rotterdam natuurlijk deel van uitmaakt.

Dat begon in de jaren negentig met een discussie met wat vakgenoten over de Nederlandse geschiedenis. In de geschiedkunde wordt namelijk door een enkeling gesteld dat Nederland een onvolledige revolutie heeft doorgemaakt, een historisch proces dat wij kennen als de Nederlandse Opstand ofwel de Tachtigjarige Oorlog. Zoekend naar het sleutelmoment, de grote breuk in dit proces stootte ik op het conflict tussen Oldenbarnevelt en Maurits. Bij het lezen over die confrontatie viel het mij op dat er in de stad Rotterdam aan het einde van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw een significant andere mentaliteit moet hebben geheerst dan in een reeks van andere Hollandse steden. Lees er het Geuzenliedboek op na, want daar staat het in. Het onderzoek naar de geschiedenis van die mentaliteit, hoe die vroeger tot uitdrukking kwam en hoe die tegenwoordig wordt beoordeeld, heb ik in het boekje beschreven.

Ik heb geprobeerd aan te tonen dat die mentaliteit van Rotterdam in de zestiende en begin zeventiende eeuw zijn wortels vond in het erasmianisme. Het feit dat zijn werken hier werden gelezen en werden begrepen, heeft zichtbaar bijgedragen aan de Rotterdamse mentaliteit van destijds. Daarvoor zijn de Rotterdammers van toen door het vuur gegaan. Niet Erasmus als persoon die hier toevallig geboren zou zijn, maar wat hij leerde, is wat de Rotterdammers zich hebben aangetrokken en in de praktijk hebben gebracht. Het zou wel een heel erg oppervlakkige beoordeling zijn om te zeggen dat de Rotterdammers van toen vanuit chauvinisme hebben gehandeld, notabene in een tijd van contrareformatie en bezettingsoorlog. Ditzelfde geldt trouwens ook voor een stad als Gouda.

Ik vind het werkelijk verbijsterend om te zien hoe latere historici met dit gegeven zijn omgegaan. We mogen constateren dat de Nederlandse geschiedschrijving op een paar essentiële punten niet klopt. Geschiedvervalsing is een lelijk woord en ik ga geen individu of groep ook maar het geringste verwijten. Het is het gevolg van een simpel en vaak voorkomend verschijnsel. The winner takes it all, dat is het logische proces dat heeft plaatsgegrepen na de overwinning van Maurits en de calvinistische godsdienstpartij in de Republiek.

Ik heb er de voorbeelden van gegeven, naar ik meen op zakelijke wijze. Het erasmianisme heeft moeten wijken voor het calvinisme. Dat was geen aangelegenheid voor filosofen of theologen, maar een aangelegenheid voor duizenden Rotterdammers die meenden dat de kerk die zij op zondag bezochten en hun manier van geloven de juiste was. Het ging om het deels gewelddadig onderdrukken van de diepste overtuiging van mensen die destijds hier in deze stad leefden. De impact van dat proces moeten we niet onderschatten. Het is erg als je met je levensovertuiging moeten wijken voor een opgelegde, geïmporteerde leer. Zoiets laat dan ook zijn sporen na in de geschiedenis. De gevolgen van die verdringing zijn duidelijk terug te vinden in het huidige karakter van de stad Rotterdam en de manier waarop de stad wordt behandeld. Ook dat heb ik getraceerd en daarom ben ik af en toe een beetje fel van leer getrokken tegen mensen en partijen die dit historische feit nog altijd niet willen erkennen.

Steden van Erasmus is niet alleen een geschiedenisboek, het is ook een pamflet, zoals een recensent terecht aangaf. Het is een pamflet dat ik alleen voor Rotterdam kon schrijven, omdat het erasmianisme alleen hier tot echte nationale politiek is geworden. Johan van Oldenbarnevelt, Elias van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot, het is geen toeval dat juist deze drie bijna een halve eeuw lang het gezicht van Rotterdam naar buiten toe hebben bepaald.

Dat is dan ook de inzet van dit boek. Het gaat niet om een stad of een persoon, maar om geestelijk erfgoed. Op dit moment verstaat vrijwel iedereen, zeker Amerikanen, onder het begrip tolerantie, de variant daarvan die in de Republiek in de zeventiende eeuw tot bloei is gekomen. Dat is de bekende kosmopolitische koopmansvrijheid, het laat maar waaien en iedereen doet maar waar hij of zij zin in heeft. Het zal de koopman een worst wezen, zolang de centen maar rollen.

Erasmus had een heel andere opvatting over tolerantie en die heeft hij expliciet geformuleerd, bijvoorbeeld in de periode dat Maarten Luther door kerkelijk Europa werd zwartgemaakt. Je moet luisteren, argumenten aanhoren, praten, dat is wat Erasmus zei. Het is een veel genuanceerdere en ook veel beter te verdragen opvatting van tolerantie, een waarmee je het ook politiek van rechts tot links eens kunt zijn. Een tolerantie waarmee je je eigen grenzen kunt stellen, zoals destijds is gebeurd naar het calvinisme, tot aan de Synode van Dordrecht.

Niet Erasmus, maar het erasmianisme. Niet Erasmus als persoon, want dat neigt naar persoonsverheerlijking, maar zijn gedachten en vooral zijn manier van denken, dat is wat Rotterdam kan bijdragen aan de geschiedenis, niet alleen die van Nederland, maar van de hele westerse wereld. Dit is essentieel intellectueel erfgoed. Dit blijft overeind, zelfs als deze hele stad van de aardbodem zou verdwijnen. Ik stel het vast als relatieve buitenstaander die zich niet zozeer bekommert om de glorie van deze stad als wel om de waarheid. Ik stel het vast omdat ik vind dat geschiedschrijving eerlijk moet zijn en recht moet doen aan alle partijen, niet alleen aan de overwinnaars van destijds.

Natuurlijk is het boek geschreven uit liefde voor Rotterdam, die eigenwijze stad ingeklemd tussen Amsterdam en Antwerpen, twee steden die wereldgeschiedenis hebben geschreven. De stad die een beetje de schlemiel van de Nederlandse geschiedenis is geworden. Maar het boek is niet eenzijdig in zijn analyse en voorzover sommige lijnen nogal scherp worden getrokken, is dat om de tegenstellingen waarom het werkelijk gaat duidelijk aan te geven. Meer niet.

Elke dag dat deze stad haar geschiedenis op dit punt in ere houdt, is een bijdrage aan de verdienste van Rotterdam en een goede reden voor een oprecht gevoel van eigenwaarde, en dat geldt evengoed voor onze vrienden in Gouda. Ik zou het fijn vinden als het boek zo kan worden begrepen. Ik dank u wel. Misschien zijn er nog vragen?